Verzoek aand de Deense koning

 

VERZOEKSCHRIFT
VAN
5 GALEISLAVEN
AAN DE
KONING VAN DENEMARKEN,
FREDERIK IV

 

Aan zijne Deense Majesteit,

Sire,

De goedertierenheid even zeldzaam als voornaam van Uwe Majesteit is een andere krachtige steun om te durven hopen dat U ons zult vergeven dat wij de vrijheid nemen aan Uw voeten neer te knielen om U ootmoedig onder het oog te brengen dat onze enige misdaad is om een Godsdienst te belijden waarvan Uwe Majesteit de meest vastberaden steunheer is en de ijverigste verdediger, de straf die men ons zo onrechtvaardig doet ondergaan beschadigd ons, aanzienlijke personen, maar daarenboven heeft het onze families in de meest erbarmelijke omstandigheden gebracht. En, Uwe Majesteit, U zult het nauwelijks kunnen geloven, dat de grootste vernedering voor ons is dat ons iedere mogelijkheid ontzegd is om een actie in gang te zetten die zou kunnen bijdragen aan onze redding, zodanig dat ons geweten minstens zo onderdrukt wordt als ons lichaam. Wanneer U hier aan toevoegt, Sire, wij durven geloven dat de eer van de protestantse vorsten op de een of andere manier verbonden? is met onze slavernij; gezien het feit dat door het mislukken van hun te hulp komen en ondersteuning, wij dagelijks blootstaan aan duizend vernederingen, bovenal het verdriet te zien hoe onze broeders bezwijken bijgestaan door een ongenode geestelijkheid. Tenslotte Sire, een zwaarwegende bijzonderheid van ons verdriet is zonder twijfel zich illusies te maken over de Koninklijke goedheid, terwijl wij weten dat de bewijsvoering tegen ons van geen waarde is; en dat de getuigenissen van de verdachtmakingen zijn overlegd door aan ons onbekende vijanden, die er toe geleid hebben dat we ieder afzonderlijk te middernacht in onze woningen werden gearresteerd.

Wij hopen dat op grond van Uwe Majesteits gevoel voor rechtvaardigheid en barmhartigheid, het U zal behagen aan Uw ambassadeur aan het hof van Frankrijk opdracht te geven uit Uw naam onze vrijlating te verzoeken, dat hem niet zou geweigerd worden bij het eerste verzoek.

Deze gunst, Sire, die wij durven vragen van Uw Koninklijke goedertierenheid, waarvoor wij de Almachtige smeken dat hij U en Uw doorluchtige familie in voorspoed mag bewaren.

Hierbij hebben wij de eer ons voor te stellen met diepgevoelde eerbied, Sire, de nederigste en onderdanigste van Uw dienaren.


Oorspronkelijke bron: Koninklijk Archief Denemarken.

Alle 5 galeislaven behoorden tot het bisdom Castres en kwamen uit Ferrières. Zij werden veroordeeld op 9 en 11 november 1726 door de markies de La Fare.

Zij werden achtereenvolgens naar de gevangenissen van Montpellier, Nômes en Tarascon en vandaar naar de haven van Marseille gebracht, begeleid door de heer Desmarets, gerechtsdienaar van het rechtsgebied van de galeien, vergezeld door een opzichter van de galeien en 5 boogschutters.

1. Jacques Armengau, nr 6164,

2. Pierre Vasserot nr. 6165

3. Isaac Jougla nr. 6166

4. Pierre Sablayrolles nr. 6167

5. Daniel Armengau nr. 6169

De 5 smekelingen zijn de enige van 42 in bewaring gestelde gearresteerden die van wege hun geloof naar de galleien zijn gebracht, de anderen zijn daarvan vrijgesteld door hulp van vrienden of door geld.